De banken in België zijn veranderd

Sinds de crisis heeft de sector zijn risicoprofiel beduidend verlaagd. De Belgische financiële sector is sinds 2007 sterker veranderd dan welke financiële sector ook in Europa. Tussen eind september 2007 en eind september 2012:

  • zijn de passiva (het eigen vermogen en het vreemd vermogen zoals spaardeposito’s en schulden op de interbancaire markt) gekrompen met 27,1%
  • is het Core Tier 1 capital of het harde kernkapitaal (geld dat onmiddellijk beschikbaar is) gestegen met 16,6%
  • is de hefboom (verhouding tussen het eigen vermogen en het balanstotaal) gedaald met 38,7%
  • is de wholesale funding (financiering via de financiële markten) met meer dan 30% afgenomen

Deze veranderingen komen zowel de solvabiliteit als de liquiditeitspositie van de financiële sector ten goede. Financiële instellingen hebben hierdoor een grotere ‘buffer’ in de vorm van een verhoogd eigen vermogen om beroep op te doen in het geval dat er een stresssituatie zou ontstaan. Bovendien financieren ze hun balans meer met een stabielere depositobasis dan met financiering uit de financiële markten, waardoor ze ‘liquider’ worden.

Afbouw risicovolle activiteiten

Daar komt nog bij dat de Belgische financiële instellingen hun meest risicovolle activiteiten drastisch hebben afgebouwd. Een interne studie bij verschillende Belgische financiële instellingen leert dat de inkomsten uit trading (het verhandelen van financiële producten) van 20% van het totaal inkomen gedaald zijn tot 9%.

Het leeuwendeel van die activiteiten in trading is toe te schrijven aan activiteiten die rechtstreeks met de reële economie gelieerd zijn: ze zijn bijvoorbeeld gericht op het zoeken van kapitaal voor grote projecten en bedrijven, of op het indekken van (exportgerichte) bedrijven tegen renterisico’s of schommelingen van grondstoffenprijzen.

Het aandeel van de inkomsten uit proprietary trading (het handelen voor eigen rekening, een activiteit waarmee Belgische financiële instellingen zich voornamelijk indekken tegen prijsschommelingen op de financiële markten) in de tradingomzet daalde zelfs van 13% tot 2%.

Focus op binnenlandse markt

Bovendien richt de financiële sector zich voor zijn kredietvolumes veel meer op de binnenlandse markt. Hierdoor is de buitenlandse risico-blootstelling sterk afgebouwd en is de sector minder onderhevig aan de mogelijke financiële onevenwichten in het buitenland. In september 2012 had de financiële sector zijn buitenlandse activa (kredieten en andere activa) afgebouwd met 46% tegenover 5 jaar eerder. De binnenlandse activa waren over dezelfde periode gestegen met 18,7%. Hetzelfde verhaal tekent zich af voor de passiva (deposito’s en andere financiering): de buitenlandse passiva werden over dezelfde periode afgebouwd met 49,9%, de binnenlandse waren gestegen met 13%. Dat heeft de instellingen stabieler en solider gemaakt, al is er aan een sterke afbouw van buitenlandse blootstelling ook een keerzijde.

Risicospreiding

De risicogevoeligheid van een financiële instelling wordt namelijk niet bepaald door haar businessmodel, maar door hun portfoliobeheer. Instellingen die hun risico’s spreiden op een doordachte manier blijken het meest robuust. Verschillende studies, onder meer van de Europese Centrale Bank (ECB), tonen inderdaad aan dat een universele bank in een gediversifieerd landschap, die zowel actief is in de kapitaalmarkt als in de retailmarkt, eerder beschreven kan worden als stabiel dan als kwetsbaar. Mogelijke verliezen in één activiteit kunnen in zulke banken namelijk gecompenseerd worden door opbrengsten in een andere activiteit.

Risicospreiding, ook op geografisch gebied, maakt immers deel uit van gezond risicobeheer. Indien de financiële sector in België nog verder zou aangezet worden om zijn blootstelling te beperken tot de binnenlandse markt, kan dit concentratierisico’s met zich meebrengen. Een te grote afhankelijkheid van bijvoorbeeld de lokale vastgoedmarkt maakt de nationale financiële sector zeer kwetsbaar voor mogelijke schokken op die eigen vastgoedmarkt. In het buitenland werd dit onder meer aangetoond door de Spaanse cajas.

De cajas waren Spaanse spaarbanken (die trouwens vaak door de overheid bestuurd werden). Ze focusten zich vooral op het inzamelen van spaargeld en het verstrekken van hypothecaire kredieten. Toen de Spaanse vastgoedmarkt echter in elkaar stuikte, bleken de cajas te sterk blootgesteld aan de eigen Spaanse vastgoedmarkt. De overheid moest tussenkomen om de spaarbanken te redden.

Nu moeten Belgische banken normaliter niet vrezen voor zo’n scenario. Het moet gezegd dat de Belgische banksector dat de voorbije jaren uitstekend onder controle heeft gehouden. De ratio’s van de banken in hypothecaire kredieten zijn bijvoorbeeld altijd gezond geweest. De loan-to-value ratio (de verhouding tussen het kredietbedrag en de waarde van het onroerend goed waarop een hypotheek rust) bevindt zich volgens de Nationale Bank van België gemiddeld op een zeer aanvaardbaar niveau. Eind 2011 bedroeg deze ratio tussen de 60% en 65%.

Schuldenlast

Ook de schuldenlast bij zowel ondernemingen als particulieren bevindt zich een stuk onder het Europese gemiddelde. In 2011 bedroeg de schuld van de gezinnen 55,3% van het bruto binnenlands product (bbp). Het Europese gemiddelde lag toen op 87,1%. De financiële sector wil die koers ook in de toekomst aanhouden, maar hij beseft dat hij maar een van de vele spelers is die hierop invloed uitoefent. Andere factoren, waar financiële instellingen geen invloed op hebben, kunnen de evolutie van de schuldgraad bepalen.