De financie­ringsmix van de economie

Banken engageren zich met hun strategische agenda om de economie te blijven financieren. Maar ze beseffen dat ze die opdracht niet alleen zullen kunnen vervullen, precies omwille van het economische klimaat, het veranderde financieel landschap, de gewijzigde en voortdurend evoluerende regelgeving en de soms onrealistische eisen van de samenleving. Daarom is de financiële sector op zoek gegaan naar alternatieven voor de strikt bancaire financiering op langere termijn van bepaalde types projecten.

Het uitgangspunt van dergelijke oefening is dat de financiële instellingen hun rol als financiers nog altijd ten volle willen spelen, op korte, middellange en lange termijn. Maar ze willen ook kijken naar andere spelers of alternatieve methoden om een deel van die financieringsmix te kunnen blijven garanderen.

De financiering van de economie heeft vele gezichten. De ideale financiering voor een bedrijf is anders naargelang de onderneming nood heeft aan kredieten op de korte of de lange termijn. Ze verandert ook naarmate het bedrijf een jonge starter dan wel een gevestigde onderneming is, of naarmate ze een beperkt of een hoger risico torst.

Het is dan ook niet logisch om alleen naar de banken te kijken voor de financiering van de economie, zeker nu de kapitaalvereisten onder Basel III de armslag van financiële instellingen in kredietverlening beperken. Daarom heeft de financiële sector de voorbije maanden uitgebreid alternatieve manieren bestudeerd om de financiering van de economie ook in de toekomst te blijven garanderen.

Kredietverlening door de banken blijft een belangrijke factor in het model dat de banken hebben uitgetekend. Financiële instellingen zullen ook in de toekomst spaargeld moeten blijven omzetten in kredieten aan gezinnen, ondernemingen en overheden, zowel op de korte als op de lange termijn. Ze zullen investeringskredieten en exportleningen blijven verschaffen onder de vormen waarover ze beschikken.

Maar er zal in de toekomst ook een belangrijke rol weggelegd zijn voor andere actoren in het financieringsverhaal. De banken zullen voor die andere actoren hoogstens nog een intermediaire rol vervullen. Voor de schuldfinanciering op de lange termijn kunnen banken hun rol spelen bij de lancering van obligaties en volksleningen, of bij het inzamelen van kapitaal voor KMO-fondsen. Bij initiatieven om durfkapitaal te stimuleren, zoals de uitwerking van de win-winlening, spelen banken allicht een veel kleinere rol. Maar ook die initiatieven zijn nodig om de financieringsmix voor de economie te vervolledigen.

Initiatieven met regionale overheden

De financiering van de economie, en de mix die nodig is om tot die financiering te komen, was ook het belangrijkste onderwerp op de tafel tijdens de besprekingen van het Bankenplan dat Vlaams minister-president Kris Peeters in het najaar van 2012 heeft voorgesteld. Het Bankenplan beoogt de financiering van de economie te bevorderen en het ondernemingsweefsel in Vlaanderen te versterken via een mix van bancaire én alternatieve financieringsmethoden.

Parallel met de besprekingen van het Bankenplan in Vlaanderen zijn ook gesprekken opgestart met de Waalse en de Brusselse regering. Op al die fora heeft de financiële sector het idee van de financieringsmix verdedigd en ondersteund waar nodig.

In een rondetafelgesprek werd met de Waalse regering afgetoetst welke initiatieven genomen kunnen worden om de financiering van de economie, en meer bepaald van de Waalse KMO’s, te stimuleren. In het verlengde van dit gesprek is ervoor geopteerd om, in functie van de doelgroep, werkgroepen op te zetten samen met Febelfin en verschillende banken. Die werkgroepen bekijken welke initiatieven genomen kunnen worden en welke constructieve rol de banken en de overheid hierin kunnen spelen.

Alle informatie over de financiering van ondernemingen kan teruggevonden worden op de site die daar speciaal aan werd gewijd: www.financieringvanondernemingen.be.

 

De denkoefeningen rond alternatieve financieringsvormen voor de economie mondden uit in verscheidene concrete pistes, waarvan er twee in hun ontwikkelingsfase zitten: de structuur voor KMO-fondsen en de volkslening. Er werden ook denkpistes uitgezet over manieren om bepaalde noden te lenigen bij het financieren van de export.

KMO-fondsen

Over de KMO-fondsen werden tijdens de besprekingen over het Bankenplan van de Vlaamse regering verscheidene concrete afspraken gemaakt. Eén of meerdere fondsen zullen in totaal 1 miljard EUR inzamelen om kredieten van meer dan 5 jaar aan Vlaamse KMO’s te kunnen verschaffen.

Volgens een piste zouden de banken 150 miljoen EUR kapitaal inbrengen, en indien nodig de eerste kredietverliezen op de leningen dragen ten belope van 75 miljoen EUR (de zogenaamde first loss).

Die buffer van 7,5% waar de financiële sector voor zou instaan, is veel hoger dan de gemiddelde wanbetalingsgraad op de Belgische ondernemerskredieten. Als de verliezen tegen de verwachtingen in toch nog hoger zouden oplopen, zou de overheid zich garant stellen voor de volgende 75 miljoen EUR aan kredietverliezen via de waarborgregeling van Gigarant, een garantiefonds van de Vlaamse overheid.

Door dat vangnet van 150 miljoen EUR zouden het fonds of de fondsen een hogere kredietwaardigheidsscore kunnen genieten, en moet het makkelijker worden om de resterende 850 miljoen EUR te kunnen ophalen bij institutionele investeerders die de gelden over langere termijn ter beschikking kunnen stellen (zoals pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen, bijvoorbeeld), als de financiële instelling dat opportuun zou achten.

Door de constructie van de KMO-fondsen wordt het risico voor de intekenaars op verschillende manieren beperkt. Doordat de financiële instellingen de eerste verliezen op zich nemen, worden investeerders afgeschermd voor de eerste kredietverliezen. Maar omdat de banken de eerste verliezen zullen nemen, worden de financiële instellingen terzelfdertijd ook extra aangespoord om kredietwaardigere dossiers op te nemen. Slechtere dossiers verhogen het risico op verliezen die de instelling in eerste instantie moet dragen.

De KMO-fondsen moeten de financiering ten goede komen van de KMO-markt, die ten gevolge van de economische malaise onder druk staat. De engagementsverklaring over de oprichting van zo’n fonds (of zulke fondsen) ter waarde van 1 miljard EUR werd opgenomen in het Vlaams bankenplan. Soortgelijke initiatieven worden eveneens onderzocht op het Brusselse en Waalse niveau.

Volksleningen

Recent heeft de overheid het initiatief genomen tot het opzetten van thematisch gebonden volksleningen.

Deze volksleningen zouden de financiële instellingen de mogelijkheid moeten bieden om langetermijnprojecten als de bouw van scholen en rusthuizen, KMO-kredieten met een looptijd van meer dan 7 jaar, of projecten met een specifieke maatschappelijke meerwaarde aan interessante voorwaarden te financieren. Concreet zouden spaarders kunnen intekenen op specifieke, grootschalige projecten. Het rendement op hun inleg zou vooraf vastgelegd worden, zoals bij een kasbon.

De volkslening is een bankproduct. Dat betekent dat de spaargelden die voor een volkslening ingezameld worden, weliswaar verplicht geaffecteerd zullen worden aan een vooraf bepaald toepassingsgebied (bijvoorbeeld:

ecologische investeringen), maar dat de deposito’s niettemin onder de bescherming vallen van het depositogarantiesysteem (DGS). Dat houdt in dat de spaargelden die gebruikt worden om volksleningen te verstrekken, blijven meetellen voor de bescherming tot 100.000 EUR die elke spaarder geniet. De volkslening blijft ook op de balans van de banken staan. Ze zou een langere looptijd hebben (vijf jaar of meer) en van een verlaagde roerende voorheffing genieten.

Het idee voor een volkslening vloeit voort uit de reflectie-oefening die Febelfin uitgebreid heeft gevoerd naar aanleiding van haar strategische agenda. De federatie van de financiële sector werkt dan ook als een constructieve partner mee aan het uitwerken van het beleidsinitiatief, dat een oplossing helpt bieden voor de noodzaak aan financiering op de lange termijn.