De oorzaken van de financieel-economische crisis: de analyse van Ben Bernanke

Ben Bernanke van de Federal Reserve, de Amerikaanse centrale bank, analyseerde de crisis van 2008 op 13 april 2012 als ‘een klassieke financiële paniekaanval’.

In wezen onderscheidt Bernanke twee aspecten van de crisis: de triggers en de vulnerabilities.

Onder triggers (de evenementen en oorzaken die de crisis deden ontvlammen) klasseert Bernanke bijvoorbeeld het systeem van de subprimeleningen, de bubbel van de huizenprijzen in de Verenigde Staten en de overdreven hoge schuldgraad van overheden en in sommige gevallen ook van het publiek. Maar Bernanke voegt er meteen aan toe dat aanleidingen van die grootte-orde nooit een financiële crisis van die amplitude veroorzaakt zou hebben zonder de vulnerabilities, de structurele tekortkomingen van het financiële systeem en de manier waarop de regulering en het toezicht op dat systeem functioneerde. ‘Zowel de subprimecrisis als de huizenbubbel waren relatief klein in vergelijking met het disproportionele effect dat ze op het systeem sorteerden’, stelde Bernanke vast.

De kwetsbaarheden van het financiële systeem zijn volgens Bernanke velerlei. Ze uitten zich in de (te) hoge hefboom (het harde kernkapitaal in verhouding tot het balanstotaal) van een aantal financiële instellingen, in hun te grote afhankelijkheid van financiering op de korte termijn, in tekorten in hun risicobeheer ook en een soms overdadig gebruik van exotische en ondoorzichtige financiële instrumenten ook. Maar ze kwamen ook aan het licht door de hiaten in het toezicht, die maakten dat belangrijke spelers in het financiële systeem aan adequaat toezicht ontsnapten. Omdat het toezicht bovendien eerder microprudentieel (gericht op de instellingen) was dan macroprudentieel (met aandacht voor het financieel systeem) ontsnapte bovendien het besmettingsgevaar aan de aandacht tot het te laat was. Die kwetsbaarheden, argumenteert Bernanke, hebben de triggers versterkt tot de wereldwijde financiële crisis waarvan de wereld vandaag herstelt.

Bernanke stelt vast dat de kwetsbaarheden veelal gelinkt waren aan het gebruik van technieken uit het schaduwbankieren, in wezen een systeem dat functioneert als een bank, maar niet hetzelfde niveau van toezicht geniet. Schaduwbankieren maakte, met behulp van het excessieve gebruik van technieken als effectisering en een te grote afhankelijkheid van bijvoorbeeld geldmarktfondsen, asset backed commercial paper conduits (ABCP) of investeringsbanken om illiquide activa te financieren met kortetermijngeld. Die schaduwbanken ontsnapten aan de prudentiële regulering die wel op banken van toepassing was.

‘Die wereldwijde vlucht uit het reguliere financiële systeem’, zegt Bernanke nu, ‘was slecht voor het financiële systeem.’

Bovendien bleken risicomanagement en controlesystemen in bepaalde banken niet altijd de graad van financiële innovatie bij te benen, stelt Bernanke vast. Daardoor konden een aantal grote financiële instellingen hun risico’s slecht monitoren, waardoor ze te weinig gediversifieerd waren. Ze konden ook nauwelijks nog de kwaliteit controleren van bepaalde onderliggende activa van hun beleggingsportefeuille. Ook toezichthouders schoten daarin te kort, soms omdat ze teveel op de gezondheid van markten en individuele banken focusten, en niet op de gezondheid van het systeem.