De uitdagingen van kredietverlening voor 2013-2015 en verder

Tussen 2007 en 2012 zijn de banken volop krediet blijven verlenen, en tegen lage rentes bovendien (zie: 1 euro krediet voor elke extra euro spaargeld tussen 2007 en eind 2012). Tot op vandaag is er voor volwaardige dossiers nog steeds voldoende krediet voorhanden – dat tonen de cijfers aan. Nochtans leeft de jongste jaren de perceptie dat de financiële sector zijn rol als financier van de economie onvoldoende zou spelen, zowel voor de gezinnen als voor de ondernemingen. De publieke opinie voedt vaak die perceptie.

De cijfers geven aan dat die perceptie niet helemaal klopt (zie: Spaargeld slaapt niet). Maar dat belet niet dat de huidige economische realiteit wel degelijk voor een moeilijker kredietklimaat zorgt, zowel voor de kredieten op de lange termijn als voor bepaalde ondernemingskredieten.

Sinds halverwege 2012 vertraagt bijvoorbeeld de groei in de kredietverlening. Zowel voor de hypothecaire kredieten als voor de kredieten aan ondernemingen daalden de voorbije maanden zowel de vraag als het aantal verstrekte kredieten. Daar zijn drie belangrijke redenen voor:

  1. de dalende vraag naar kredieten
  2. de dalende kwaliteit van de kredietaanvragen
  3. de regelgeving die krediet verlenen moeilijker maakt

De moeilijke vraag naar kredieten

Het aantal kredietaanvragen van ondernemingen lag in 2012 11% lager dan in 2011. Ook het aantal aanvragen voor hypothecaire kredieten daalde vorig jaar met 27,5% in vergelijking met 2011. Logischerwijze bracht die knik in de curve van het aantal aanvragen ook een dip in de kredietproductie met zich mee. De productie van kredieten aan ondernemingen lag vorig jaar 10,3% lager dan in 2011. Het aantal hypothecaire kredieten daalde over dezelfde periode met 34%.
Twee factoren liggen aan de basis van de daling van het aantal aanvragen: de moeilijke economische context en de afschaffing van een aantal energiebesparende maatregelen en van de ‘groene kredieten’.

Lage groeiprognoses wegen op het vertrouwen en de expansiedrift van gezinnen en ondernemers, en dus op de vraag naar kredieten. Dat werd ook bevestigd in de studie van professor Huyghebaert, die duidelijk aantoonde dat kredietverlening een procyclisch karakter heeft: een groei van het bruto binnenlands product (bbp) en het beschikbare inkomen leidt onvermijdelijk tot een groei in de vraag naar hypothecaire kredieten, consumentenkredieten en investeringskredieten. In de moeilijke conjunctuur van de voorbije jaren kromp echter de kredietvraag. Ook als die kredietvraag opnieuw stijgt, blijft de uitdaging.

Bovendien kozen een aantal (vooral grote) bedrijven ook voor andere dan bancaire financiering. In 2012 boomde bijvoorbeeld de markt van de bedrijfsobligaties. De Nationale Bank meldde dat de gecumuleerde netto-uitgifte van bedrijfsobligaties (het totaal aantal uitgiften, min de obligaties die op vervaldag kwamen) in het jaar dat eindigde op 30 september 2012 opgelopen was tot 7,6 miljard EUR. De nettofinanciering via de obligatiemarkt was in die periode beduidend groter dan de nettofinanciering via kredieten bij de in België gevestigde banken.

De lage rentetarieven van de Europese Centrale Bank, die de vergoeding op de spaarboekjes beïnvloeden, hebben mee het succes van de obligatiemarkt in de hand gewerkt. Dat heeft zeker bij grote ondernemingen de vraag naar bancaire kredieten getemperd. Bedrijven die zichzelf op de obligatiemarkt kunnen financieren, hoeven namelijk hun toevlucht niet te nemen tot bancair krediet, waardoor de kredietvraag over het algemeen genomen terugloopt bij ondernemingen.

De obligatiemarkt kan een onderdeel van de financieringsmix zijn, maar consumenten moeten er zich wel van bewust zijn dat hij ook een risico in zich draagt. Kleinere bedrijven krijgen bovendien moeilijker toegang tot de obligatiemarkt, en proberen zich wel nog via de bancaire balans te financieren. Alleen stelt de financiële sector vast dat net die bedrijven ook vaker dan vroeger bankkredieten afsluiten om hun financiële armslag te verhogen. Het spreekt vanzelf dat bancair krediet niet altijd de best mogelijke oplossing is om dat doel te dienen: bijkomend bancair krediet verhoogt ook het vreemd vermogen, wat de bedrijven financieel afhankelijker en dus minder solide maakt.

Niet alleen de vraag naar ondernemingskredieten is teruggevallen, maar ook die naar hypothecaire leningen. De afschaffing van maatregelen als het groen krediet met intrestbonificatie leidt ertoe dat mensen minder gemakkelijk hypothecaire kredieten aanvragen en opnemen. De vraag naar hypothecaire kredieten steeg in april 2013 maar mogelijk is dit een tijdelijk fenomeen.

De dalende kwaliteit van de kredietvraag

De verslechtering van de conjunctuur knaagt echter niet enkel aan het aantal kredietaanvragen, maar ook aan de kwaliteit ervan, zeker voor ondernemingen. Er zijn namelijk verscheidene indicatoren die erop wijzen dat de kredietaanvragers er de jongste jaren niet sterker op geworden zijn.

In een onderzoek naar de financiële onafhankelijkheid van 256.000 Belgische ondernemingen, uitgevoerd op basis van de balansen van 2011, stelde de Nationale Bank van België vast dat de financiële onafhankelijkheid (de verhouding tussen het eigen vermogen en de som van de passiva/verplichtingen) van bedrijven er weliswaar in het algemeen op vooruit is gegaan, maar ook dat de financiële onafhankelijkheid van vooral de kleinste bedrijven problematisch blijft en zelfs nog problematischer wordt.

Sinds 2009 blijkt de graad van financiële onafhankelijkheid bij KMO’s gevoelig verslechterd. Voor de allerkleinste ondernemingen daalde de financiële onafhankelijkheid zelfs met 12,7 procentpunt in de laatste tien jaar. 17,3% van de ondernemingen in dat kleinste percentiel torste zelfs een negatief eigen vermogen.

Financieel onafhankelijk zijn is voor een onderneming van groot belang. Bedrijven die minder afhankelijk zijn van vreemde middelen, hebben ook minder financiële lasten die wegen op het financiële resultaat. Op die manier kunnen ze ook makkelijker en tegen gunstigere tarieven nieuwe leningen afsluiten als ze die nodig hebben. Omgekeerd leidt minder financiële onafhankelijkheid en dus een lagere levensvatbaarheid tot een hoger risicoprofiel.

Helaas blijken steeds meer ondernemingen in het laatste geval, zo leerde een interne Febelfin-enquête. Door de aanhoudende economische malaise blijken Febelfin-leden steeds vaker kredietaanvragen binnen te krijgen van ondernemingen met een hoog risicoprofiel. Het aantal KMO’s met een laag risicoprofiel dat een kredietaanvraag indiende, bleek in 2012 gedaald met 15,2% tegenover 2011. Het aantal KMO’s met een hoog risico dat om bancair krediet kwam vragen, bleek daarentegen toegenomen met 18,6%. Ook hier blijken de kleinste ondernemingen het kwetsbaarst: bij hen is het aantal hoge risicoprofielen toegenomen met 21%. Voor alle duidelijkheid: de criteria waarmee de banken de risicogevoeligheid van bedrijven in kaart brengen, zijn niet gewijzigd in vergelijking met vroeger. De criteria moeten trouwens getoetst worden bij de Nationale Bank van België, die toezicht op de financiële instellingen houdt.
De dalende kwaliteit van de kredietaanvragen weegt vanzelfsprekend ook op de kredietverlening. Bankiers moeten risico’s beheren, en dus rekening moeten houden met de levensvatbaarheid en de financiële onafhankelijkheidsgraad van de ondernemingen. Als die verslechteren, leidt dat onvermijdelijk tot meer kredietweigeringen.

De financiële sector pleit er dan ook voor dat de overheid maatregelen zou uitschrijven die ervoor zorgen dat de ondernemingen, en zeker de KMO’s, hun eigen vermogen kunnen optrekken en op die manier financieel onafhankelijker en kredietwaardiger worden.

De veranderende regelgeving

De kapitaalvereisten uit de Basel III-akkoorden kunnen er op termijn toe leiden dat de financiële instellingen het moeilijker krijgen om te voldoen aan de kredietvraag. Ze kunnen ook tot gevolg hebben dat de prijs van kredieten op de lange termijn sterk wordt opgedreven.

De Basel III-kapitaalsvereisten zijn uitgetekend door het Baselcomité, een samenwerkingsplatform van toezichthouders op het bankwezen uit de hele wereld, dat samenkomt bij de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) in het Zwitserse Basel. De regels leggen financiële instellingen op meer kapitaal en liquiditeit aan te houden tegenover hun uitstaande beleggingen en kredieten.

Concreet heeft dat onder meer tot gevolg dat het eigen vermogen van de financiële instellingen moet verdubbelen om hetzelfde volume kredieten te kunnen blijven verlenen, maar dat banken bovendien stabielere financiering moeten aantrekken én meer liquide activa aanhouden. De Basel III-regels worden vanaf dit jaar geleidelijk ingevoerd en moeten in 2018 volledig van kracht zijn. Voor Europa werden de Basel III-regels vertaald in de CRD IV-richtlijn.

De Belgische financiële instellingen hebben binnen Europa het voortouw genomen om zo snel mogelijk aan de Basel III-regels te voldoen. Om die reden hebben de banken tussen eind september 2007 en eind september 2012:

  • hun passiva (de som van het eigen vermogen en onder andere de spaardeposito’s en de schulden op de interbancaire markt – het zogenaamde vreemd vermogen) teruggeschroefd met 27,1%
  • het harde kernkapitaal met 16,6% verhoogd
  • de verhouding tussen het eigen vermogen en het balanstotaal doen dalen met 38,7%

Financiële instellingen zijn hierdoor onmiskenbaar een stuk solider dan voor de financiële crisis. Toch heeft de transformatie de kredietverlening nauwelijks schade berokkend, zoals u eerder al kon lezen. Maar de verdere implementatie van de Basel-regels zal de kredietverlening wel onvermijdelijk impact hebben op de kredietverlening.

Vooral de NSFR-component uit de Basel III-regelgeving zorgt voor bijzondere uitdagingen voor Belgische banken. Hij voorziet dat financiële instellingen een stabiele financiering op de lange termijn moeten aantrekken als ze kredieten voor de lange termijn willen verschaffen. Concreet houdt dat in dat een financiële instelling moeilijker krediet op de lange termijn kan verlenen aan gezinnen of ondernemingen, als daar geen financiering op de lange termijn tegenover staat, bijvoorbeeld in de vorm van een termijnrekening.