Studie naar het belang van deposito’s voor de Belgische economie en de relatie tot de financiële crisis

Door professor Nancy Huyghebaert (KU Leuven)

Hoe spaardeposito’s de Belgische economie oliën

  • Deposito’s zijn anno 2012 de belangrijkste financieringsbron van de Belgische banken. Ze zijn, alles inclusief, opgelopen tot 490,8 miljard EUR, of omgerekend 1,3 keer het bruto binnenlands product (bbp). Het belang van spaartegoeden in de balansen van de banken is de voorbije jaren gestegen van 45,38% tot 62,45%. Die stijging is voornamelijk toe te schrijven aan de gezinnen, die nu 51,38% van de bankbalans financieren. Openbare besturen waren eind 2012 nog goed voor 1,72%.
  • Deposito’s dragen rechtstreeks bij tot de financiëring van de reële economie in België. Het totale uitstaande bedrag aan kredieten aan Belgische gezinnen, niet-financiële vennootschappen en overheden bedroeg eind 2012 477,6 miljard EUR, of 1,26 keer het bbp.
  • De crisis heeft er niet voor gezorgd dat de banken hun rol in de financiering van de economie hebben afgebouwd. Het aantal vorderingen op cliënten in de bankbalansen is bijvoorbeeld stabiel gebleven, het aantal leningen aan Belgische ingezetenen is zelfs gestegen met ruim 14 procentpunt tot 51,06%. Vooral het volume leningen aan de privé-sector blijkt fors toegenomen in vergelijking met 2008: dat klokte af op 39,9% – ruim 9 procentpunt méér dan in 2008.

Spaargeld slaapt niet

Hoe onderzoeken van de KU Leuven de mythe doorprikten dat het spaargeld slaapt dat bij de banken belegd werd, kon u eerder al lezen. Maar de studie van professor Nancy Huyghebaert toonde ook zwart op wit aan dat het spaargeld door de banken wel degelijk gebruikt wordt om de economie te financieren, en niet voor speculatieve activiteiten. Nochtans ligt ook die misvatting aan de basis van de roep om zakenbanken van depositobanken af te splitsen.

Professor Huyghebaert deed enkele opmerkelijke vaststellingen die de misvatting doorprikten:

  • Elke extra euro spaargeld werd tussen 2007 en 2012 omgezet in een bijkomende euro krediet. Dat leverde de economie een injectie van 87,5 miljoen EUR op.
  • Er was een depositosurplus (dat wil zeggen: er werden meer deposito’s ingezameld dan er kredieten verleend werden) als we alleen de deposito’s van en leningen aan de privé-sector (gezinnen en niet-financiële vennootschappen) in rekening brengen. Wanneer we echter ook de deposito’s van en de leningen aan de overheden meetellen, is er over de periode 1996-2012 zelfs sprake van een depositotekort.

Het depositosurplus op het niveau van de private sector (gezinnen en niet-financiële vennootschappen) bedroeg eind 2012 68 miljard EUR. Dat staat gelijk aan 18,05% van het bruto binnenlands product (bbp). Dat is minder dan eind 2005, toen het depositosurplus op het niveau van de private sector piekte op 76,721 miljoen EUR (omgerekend 25,28% van het bbp). Het depositosurplus op het niveau van de private sector is dus niet te wijten aan de recente toename van de depositovolumes. Het is integendeel eerder een structureel gegeven in het Belgische bancaire landschap.

Het depositosurplus wordt echter een depositotekort over de hele onderzochte periode 1996-2012 wanneer we de directe leningen aan openbare besturen, de beleggingen in overheidsobligaties en de deposito’s uit de publieke sector meenemen in de berekeningen. Eind 2005 was het tekort minimaal: 6,138 miljoen EUR (gelijk aan 2,02% van het bbp). In 2012 resulteerden alle deposito’s van en kredieten aan de private en publieke sector in een depositotekort van 7,148 miljoen EUR (gelijk aan 1,90% van het bbp). Gezien het grote overheidsbeslag op de Belgische economie, en de reële impact van de primaire uitgaven van de overheid op de economische ontwikkelingen, lijkt het volgens professor Huyghebaert logisch dat de overheidsschuld op de balansen van banken in de berekening beschouwd wordt als een vorm van financiering van de economie.

Dat alles geeft dus aan dat het Belgische spaargeld niet slaapt en wel degelijk volledig aangewend wordt om de economie te financieren.

Hoe duurzaam is het Belgische spaarvolume?

Spaardeposito’s zijn in België cruciaal voor een gezonde kredietverlening. Kunnen inschatten hoe stabiel de depositobasis is, en welke factoren die beïnvloeden, is daarom doorslaggevend voor de financiële sector in zijn rol als kredietverlener.

Het volume aan spaargeld staat dezer dagen op historische hoogte. Eind december 2012 stond er 235,8 miljard EUR uit op de gereglementeerde spaardeposito’s. Dat is een stijging van 58% in vergelijking met eind 2007. Al dat spaargeld wordt ingezet in de economie, onder de vorm van kredieten aan gezinnen, ondernemingen en overheden. Elke euro spaargeld die extra wordt ingewonnen, wordt opnieuw ingezet in de economie.

Precies daarom is het belangrijk om te weten hoe stabiel de depositobasis is. Kredieten hebben een langere looptijd dan het spaarboekje dat zo cruciaal is in de transformatiefunctie van de banken – het omzetten van spaargeld in kredieten – en bij hun financiering. Bovendien zijn spaarvolumes cyclisch, niet structureel.

Nu blijkt een aangroei of een vermindering van het depositovolume evenwel vooral het gevolg van een reeks externe factoren, die niet rechtstreeks door de financiële instellingen beïnvloed kunnen worden. Een studie van professor Nancy Huyghebaert van de KU Leuven toonde aan dat het depositovolume erg gevoelig is voor bewegingen in de economische conjunctuur.

Volgens professor Huyghebaert zijn volgende factoren bepalend voor het depositovolume:

  • het beschikbaar inkomen (want méér inkomen doet particulieren méér sparen)
  • de werkloosheidsgraad (want hogere werkloosheid zet de spaarder ertoe aan zijn geld opvraagbaar te houden)
  • de graad van inflatie
  • het rendement en de volatiliteit op de aandelenmarkt (hoe wispelturiger de aandelenmarkten, hoe hoger het spaarvolume bij huishoudens)
  • de rentevoet op kasbons met looptijden van meer dan drie jaar (bij lagere rente neemt het spaarvermogen van huishoudens toe)

Professor Huyghebaert heeft in haar studie gepoogd om die effecten te kwantificeren.

Ze stelde vast dat een toename met 1% van het beschikbaar inkomen een groei van de deposito’s genereert van 305 miljoen EUR. Een samenleving met meer beschikbare middelen leidt dus – in bepaalde mate – tot meer spaargeld.

Ze becijferde ook dat een toename van 1% van de werkloosheidsgraad het volume aan deposito’s met 2,7 miljard EUR zou doen stijgen. Waarschijnlijk speelt de risicoaversie van de gezinnen in tijden van economische stress een rol in het aanhouden van meer spaargeld. Een spaardeposito heeft namelijk het voordeel dat de gelden onmiddellijk opvraagbaar zijn. In economische voorspoed hebben spaarders het vertrouwen om hun geld op termijnrekeningen te plaatsen, in moeilijke tijden kiezen ze voor de snelle opvraagbaarheid van het spaarboekje. Daarbij komt dat gezinnen meer sparen en minder consumeren in onzekere economische periodes.

Periodes van hoge inflatie, lage rentevoeten op kasbons en volatiele aandelenmarkten werken ook een stijging in de hand van het percentage van het inkomen dat gezinnen sparen. Aandelen of kasbons kunnen mogelijk als interessantere investeringsmogelijkheden voor particuliere spaarders worden beschouwd dan spaardeposito’s in periodes waarin hoge inflatie de opbrengsten van spaarboekjes aanvreet of waarin aandelen hoge rendementen geven. Dan versluizen die klanten sneller hun geld van spaarboekjes naar de aandelenmarkt of naar kasbons. Bij lage kasbonrentes of hoge volatiliteit, blijft het geld van de spaarders makkelijker op een boekje staan, wachtend op betere tijden. Elk van deze factoren hebben invloed op het depositovolume.

De studie van Professor Huyghebaert toont dus aan dat niet alle spaargeld hetzelfde is. Ze bewijst ook dat een verschuiving van een van de componenten onmiddellijk leidt tot een verandering in de beschikbare financieringsbasis van de financiële sector. Dat onderstreept dat het ongezond zou zijn om een beleid te bouwen op het huidige, uitzonderlijk hoge volume aan spaardeposito’s, omdat er geen aanwijzingen zijn dat het volume als permanent beschouwd kan worden. De studie geeft ook aan dat wijzigingen in een van de componenten belangrijke gevolgen voor het depositovolume kunnen hebben. Beleidsingrepen die zulke wijzigingen kunnen veroorzaken, moeten daarom met de grootste omzichtigheid worden benaderd.

Spaargeld met een opzegtermijn van 30 dagen

In haar studie naar de het belang van deposito’s voor de Belgische economie, formuleert professor Nancy Huyghebaert een opmerkelijk voorstel om het fiscaal voordeel te hervormen. ‘Deposito’s zijn erg belangrijk voor financiële instellingen bij het behalen van de minimale liquiditeitsnormen onder de Basel III-kapitaalregels’, erkent Huyghebaert. ‘Sinds het derde kwartaal van 2008 hebben echter zowel de gezinnen als de ondernemingen hun spaargeld op veel kortere termijn vastgezet. Dat zorgt ervoor dat financiële instellingen potentieel kwetsbaarder zijn voor een liquiditeitscrisis. Daarom verdienen instrumenten die de deposito’s kunnen stabiliseren de nodige aandacht. Een getrouwheidspremie voor spaardeposito’s kan hiertoe bijdragen. We vragen ons dan ook af of de huidige beperkingen op de getrouwheidspremie niet beter opgeheven kunnen worden.’

‘Naast een getrouwheidspremie zijn er echter ook andere maatregelen nodig, omdat spaarders allicht bereid zijn in extreme omstandigheden (bijvoorbeeld een bank run) hun getrouwheidspremie op te geven om meteen hun spaargeld terug te kunnen krijgen. Daarom zou het nuttig zijn om na te gaan of het fiscaal voordeel van een spaarboekje bijvoorbeeld gekoppeld kan worden aan een minimale termijn. In dat geval zou een spaarder, om van de fiscale vrijstelling te kunnen genieten, een opzegtermijn van 30 dagen moeten respecteren voor hij zijn geld van het spaarboekje kan weghalen. Zo’n opzegtermijn zou banken toelaten om hun liquiditeitsbehoeften beter en tijdig in te schatten, en desgevallend om andere financiering te zoeken. Zo zou het fiscaal voordeel bijdragen tot een hoger maatschappelijk doel, met name de stabiliteit van het financiële systeem. Dat is belangrijk voor een financiële sector die de economie moet financieren.’