Toezicht en regelgeving zijn veranderd

Naast de banken zijn ook andere partijen doorslaggevend bij het bewaken van het investeringsgedrag van de samenleving, en bij uitbreiding dus bij het bewaken van het risicoprofiel van de financiële instellingen die het begeleiden. Wetgevers en macro-prudentiële toezichthouders kunnen via bijvoorbeeld wetgeving of rentebeleid het investeringsgedrag van de samenleving beïnvloeden, en oefenen dus rechtstreeks invloed uit op het risicoprofiel van de financiële sector. Ze kunnen dat investeringsgedrag, en dus ook dat risicoprofiel, ook met gerichte acties een bepaalde richting uitsturen, zowel binnen de financiële instellingen als in de samenleving. Dat besef leeft vandaag meer dan ooit.

Twin Peaks

Dat is de reden waarom niet alleen de banken zelf veranderd zijn, maar waarom ook het toezicht op de financiële instellingen een ware metamorfose heeft ondergaan. Sinds april 2011 regelt de Twin Peaks II-wetgeving het toezicht op de Belgische banken. Binnen dat kader is de Nationale Bank van België bevoegd geworden voor het micro- en macroprudentiële toezicht op de Belgische banken, terwijl de Financial Services and Markets Authority (FSMA) onder andere het toezicht regelt op financiële markten, beursgenoteerde bedrijven en de commercialisatie van financiële producten.

In een nieuwe toezichtstructuur, afgesproken op EU-niveau, zullen een Europese toezichthouder (het Supervisory Stability Mechanism) en de nationale toezichthouder (de Nationale Bank van België) elk voldoende armslag krijgen om over de landsgrenzen heen macro-economisch toezicht uit te voeren. De Twin Peaks II-regels geven de Nationale Bank van België als prudentiële toezichthouder bijvoorbeeld de macht om strategische beslissingen terug te draaien als die de stabiliteit van de bank of het financiële systeem in het gedrang zouden kunnen brengen. Wanneer het Single Supervisory Mechanism (SSM) in voege treedt, zal de armslag van toezichthouders op banken op een Europese schaal versterkt worden.

Bankenunie

Het SSM maakt deel uit van de maatregelen rond de bankenunie. Die zullen de manier waarop de banken gecontroleerd worden, ingrijpend veranderen. De bankenunie moet voor een harmonisatie in Europa zorgen van het toezicht op de banken, van de depositogarantieregeling en van de afwikkelingsprocedures voor financiële instellingen in moeilijkheden.

Door de armslag van toezichthouders te vergroten, kunnen die mogelijke aanleidingen van financiële instabiliteit identificeren voordat ze zich daadwerkelijk manifesteren. Zo worden kwetsbaarheden van het systeem afgebouwd en wordt de impact van crisis getemperd. Het bankentoezicht verschuiven naar een hoger niveau dan het nationale is nodig omdat de verschillende spelers in de wereldeconomie onderling zodanig met elkaar verbonden zijn dat het financiële stelsel niet langer te superviseren valt binnen de geïsoleerde context van nationale grenzen. De recente geschiedenis toont immers aan dat pakweg een vastgoedcrisis in de VS kan uitmonden in financiële problemen in de hele wereld.

De Europese toezichthouder meer armslag geven, laat dan weer toe dat hij mogelijke aanleidingen tot crisissen zou kunnen identificeren voordat ze zich voordoen, en er maatregelen tegen treffen waar dat nodig zou blijken. Een financiële sector kan in zijn eentje de gezondheid van bijvoorbeeld een vastgoedmarkt of van andere macro-economische activiteiten niet waarborgen, omdat zulke markten interageren met verschillende individuele – ook niet-bancaire – commerciële spelers. Toezichthouders zijn daar vaak beter voor geplaatst dan de banken, die moeilijker actie kunnen ondernemen tegen, bijvoorbeeld, imploderende vastgoedmarkten, of tegen excessieve schuldenlast van overheden of de samenleving – belangrijke kiemen van de twee vorige crisissen. Door, bijvoorbeeld, aan de basisrentetarieven te sleutelen, kunnen centrale banken namelijk het investeringsgedrag van de samenleving beïnvloeden.

Nieuwe regelgeving

Behalve het toezicht is ook de regelgeving op de banken ingrijpend veranderd. Zoals hoger al vermeld, zijn er tal van (internationale) regels uitgevaardigd die de bewegingsruimte van banken om risico’s te nemen aan banden leggen. De Basel III-regels leggen financiële instellingen op meer kapitaal en liquiditeit (dat is onmiddellijk beschikbaar kapitaal) aan te houden tegenover hun uitstaande beleggingen en kredieten. Concreet betekent dit onder meer dat het harde kernkapitaal van de financiële instellingen ruimschoots moet verdubbelen om hetzelfde volume kredieten te kunnen blijven verlenen. Voor Europa werden de Basel III-regels vertaald in de CRD IV-richtlijn. De regels worden vanaf dit jaar geleidelijk ingevoerd en moeten in 2018 volledig van kracht zijn.

Al die regulatoire ingrepen zullen ervoor zorgen dat de banken hun risicoprofiel beter onder controle kunnen houden. Ze zullen de toezichthouders ook meer inzicht en armslag geven om in te grijpen als dat nodig zou blijken.

De nieuwe regelgeving, de bancaire hervormingstrajecten en de nieuwe bevoegdheden van de toezichthouder (nationaal, Europees en internationaal) zullen leiden tot een structureel gezondere financiële sector (en in vele gevallen hebben ze dat al gedaan). Ook in de toekomst moet risico op een gezonde manier worden behandeld. Volledige risico-aversie mag echter geen doel op zichzelf worden.

Dat de sector zich engageert om zijn risico’s laag te houden, en dat de toezichthouder dat gedrag ook stimuleert, betekent namelijk niet dat elk risico voorspeld of vermeden kan worden.

Impact op rendabiliteit: Studie KPMG

De recente maatregelen hebben trouwens ook ingrijpende gevolgen voor (de rendabiliteit van) de financiële sector. KPMG, een internationaal netwerk van adviesbureaus, heeft de impact in kaart gebracht van de verschillende regelgevingen op enkele cruciale financiële parameters van het Belgische bankmodel.

De analyse schat de impact op de kosten van de Belgische banken in van:

  • de (Basel III-kapitaalregels en hun Europese implementatie via) CDR IV
  • de bail-in (een Europese maatregel die niet-bevoorrechte schuldeisers als langetermijninvesteerders of obligatiehouders doet bijspringen om in uitzonderlijke gevallen banken in moeilijkheden te helpen redden)
  • de financial transaction tax (een belasting op transacties met effecten, derivaten, enzovoort) (Zie: Hoe werkt de financiële transactietaks?)
  • de verschillende bancaire heffingen (depositogarantietaks, financial stability contribution, abonnementstaks)

Onder meer werd de invloed van die regels en heffingen onderzocht op:

  • het harde kernkapitaal of Core Tier I capital
  • de hefboom of leverage ratio (de verhouding tussen het eigen vermogen en het balanstotaal)
  • de liquidity coverage ratio (LCR, een reeks criteria inzake liquiditeit waaraan een financiële instelling moet voldoen om een stresssituatie van 30 dagen te kunnen overleven)
  • de NSFR of net stable funding ratio (een maatstaf die de financiële instellingen aanzet om hun financiering in lijn te brengen met de looptijden van de kredieten of obligaties aan de activakant van hun balans)
  • het rendement op eigen vermogen of return on equity (ROE), dat de nettowinst in verhouding zet tot het eigen vermogen
  • de cost-to-income ratio (C/I), een ratio die de rendabiliteit uitdrukt door de uitgaven te delen door de inkomsten

De KPMG-studie leert dat de Belgische financiële sector sterk scoort op verschillende van die parameters. Zowel op het vlak van Core Tier I, leverage ratio, LCR en NSFR halen de financiële instellingen in België het gewenste niveau, of zijn ze er erg dichtbij.

Op het vlak van het rendement op eigen vermogen (ROE) en de cost to income ratio staan de Belgische banken echter nog veraf van de gewenste objectieven. Allerlei bancaire heffingen (zie: Enkele heffingen op de banken) hebben een significante impact op de winstgevendheid van de sector.

Bij ongewijzigd beleid zullen regelgevingen en heffingen de rendabiliteit van de financiële sector in België volgens het KPMG-onderzoek sterk doen teruglopen. Om de rendabiliteit op een niveau te houden dat banken toelaat om de economie te financieren in tijden van geringe én grote economische groei, zullen belangrijke correctieve maatregelen genomen moeten worden. Dan zullen banken bijvoorbeeld in de kosten moeten snijden, of ze zullen de rentetarieven op hun kredieten moeten optrekken.

Bovendien moet erover gewaakt worden dat bij al die regelgeving de proportionaliteit gerespecteerd wordt. Ook moet de regelgeving financiële instellingen voldoende ruimte laten om te diversifieren, en op die manier beter de risico's te spreiden.

Al die heffingen komen bovendien bovenop de verhoging van de financieringskosten, die een rechtstreeks gevolg is van de maatregelen rond bail-in en van de liquidity coverage ratio (LCR) en de net stable funding ratio (NSFR) die onder CRD IV werden ingevoerd.

De bail-in maakt financiering duurder omdat geldschieters meer risicopremie eisen van banken aan wie ze kredieten verschaffen. De LCR en NSFR drijven de prijs van financiering op omdat er respectievelijk méér liquiditeit en méér (duurdere) kredieten met langere looptijd moeten aangetrokken worden.

Dat weegt fors op het rendement op eigen vermogen van de Belgische banken. De ROE-doelstelling van minimum 8% die voor het vierde kwartaal was vooropgesteld, wordt bij lange na niet gehaald: volgens de KPMG-studie zullen de Belgische banken bij ongewijzigde situatie op 4% blijven steken. Ook de cost to income ratio van 65% waar de sector op rekende, zal bij ongewijzigd beleid niet gehaald worden.

De zwaarste impact op de rendabiliteit van de financiële instellingen in België komt echter op rekening van de financiële transactietaks (FTT), die mogelijk ingevoerd wordt in 11 van de 27 EU-landen. (Zie: Hoe werkt de financiële transactietaks?)

België is een van die landen, en raamt de impact van de maatregel op 8,4 miljard EUR, als er geen managementacties ondernomen worden. Dat is een gevolg van de grote volumes aan financiële transacties die de financiële instellingen verwerken voor hun klanten of om hun eigen liquiditeit optimaal te beheren.

De lage score op elk van die parameters kan de rendabiliteit van de financiële sector, en bij uitbreiding de financiering van de economie in het gedrang brengen. Een lager rendement op eigen vermogen resulteert namelijk in een slechtere cost to income ratio. Te laag rendement zou ervoor kunnen zorgen dat de Belgische banken bij ongewijzigd beleid onder de drempel van een gezonde cost to income ratio zouden vallen.